Een gezonde mond is zo vanzelfsprekend dat we er vaak pas bij stilstaan wanneer er iets misgaat. Toch laat recent onafhankelijk onderzoek onder bijna 400 zorgmedewerkers zien dat mondzorg in de langdurige zorg nog lang niet altijd de plek krijgt die het verdient. Het onafhankelijke onderzoek, uitgevoerd door ZorgfocuZ in opdracht van Omnios, geeft een helder beeld van hoe mondzorg er op dit moment voor staat in de ouderenzorg en gehandicaptenzorg. En dat beeld is tegelijkertijd herkenbaar en confronterend.
Een onafhankelijk onderzoek als nulmeting
Het gaat hier nadrukkelijk niet om een gevoel of een losse indruk, maar om een kwantitatief onderzoek onder zorgmedewerkers uit heel Nederland. In totaal deden 398 zorgmedewerkers mee, verspreid over alle provincies. Daarmee is sprake van een stevige basis om uitspraken te doen over bekendheid, beleving en knelpunten rondom ambulante mondzorg. Het onderzoek is opgezet als nulmeting en vormt daarmee een onafhankelijk vertrekpunt om later ook effect te meten. Juist dat maakt de uitkomsten waardevol: ze laten niet alleen zien wat er speelt, maar ook waar de echte verbeterkansen liggen.
De dagelijkse zorg staat onder druk
De cijfers laten zien in welke context zorgmedewerkers werken. Personeelstekort en werkdruk springen er in het onderzoek duidelijk uit als de grootste thema’s binnen organisaties. Dat is niet verrassend, maar wel veelzeggend. Wanneer teams al onder druk staan, schuiven onderwerpen die niet direct urgent lijken al snel naar de achtergrond. Mondzorg hoort daar vaak bij.
Daar komt bij dat mondzorg in de praktijk extra complex kan zijn. Bewoners met dementie, afweergedrag of andere cognitieve beperkingen maken goede mondzorg niet alleen moeilijker, maar ook intensiever. Zorgmedewerkers geven aan dat tijdgebrek, gebrek aan kennis en onduidelijkheid over richtlijnen belangrijke belemmeringen zijn. Ook de betrokkenheid van naasten speelt mee. Het resultaat is een situatie waarin iedereen het belang van mondzorg vaak wel erkent, maar waarin de uitvoering onder spanning staat.

Mondzorg is belangrijk, maar nog lang niet vanzelfsprekend
Daarbij is een van de meest toonaangevende conclusies direct duidelijk: ambulante mondzorg is bij veel zorgmedewerkers nog onvoldoende bekend. Meer dan de helft geeft aan hier weinig tot geen kennis van te hebben. Slechts een kleine groep voelt zich echt goed geïnformeerd.
Dat zegt iets belangrijks. Want als een onderwerp onbekend is, krijgt het minder snel aandacht in beleid, in overleg en in de dagelijkse praktijk. Terwijl juist in de zorgsituaties waarvoor ambulante mondzorg bedoeld is, de behoefte vaak groot is. Het is dus niet zo dat mondzorg onbelangrijk wordt gevonden. Het probleem is eerder dat het nog te weinig zichtbaar, concreet en structureel aanwezig is.
Mondzorg krijgt aandacht, maar er is nog te weinig structuur
Een opvallende uitkomst is dat ruim de helft van de respondenten zegt dat er binnen hun organisatie redelijk tot veel aandacht is voor mondzorg. Dat klinkt positief, maar als je verder kijkt naar de antwoorden, ontstaat een genuanceerder beeld. Mondzorg is lang niet altijd een vast onderwerp in overleg of beleid. Bijna de helft van de respondenten zegt dat mondzorg niet maandelijks wordt besproken in het zorg- of behandelteam.
Dat betekent dat er wel aandacht is, maar nog te weinig borging. En juist daar zit een belangrijk risico. Want als mondzorg afhankelijk blijft van losse initiatieven of persoonlijke betrokkenheid, blijft de kwaliteit kwetsbaar. Dan is er geen vaste lijn, geen duidelijke afspraak en geen vanzelfsprekende plek in de organisatie.
Wie is eigenlijk verantwoordelijk?
Misschien wel één van de meest interessante uitkomsten van het onderzoek gaat over verantwoordelijkheid. Voor de dagelijkse mondzorg wijst 62 procent van de respondenten vooral naar zorgmedewerkers. Dat lijkt logisch, omdat zij dicht op de bewoner staan. Maar bij het beleid rondom mondzorg wordt het veel diffuser. De tandarts of mondhygiënist wordt het vaakst genoemd, gevolgd door de zorgmanager en de kwaliteitsfunctionaris. Opvallend is ook dat bijna een op de vijf respondenten niet weet wie verantwoordelijk is voor het beleid.
Dat zegt veel over hoe mondzorg nu georganiseerd is. De uitvoering ligt vaak in de zorgpraktijk, maar het eigenaarschap van beleid is niet altijd helder belegd. Daardoor ontstaat een grijs gebied. En in een grijs gebied gebeurt meestal precies wat je niet wilt: zaken worden opgepakt als er tijd is, maar niet altijd structureel.
De conclusie is dan ook helder: mondzorg is niet alleen een taak van de zorgmedewerker aan het bed. Het is een organisatievraagstuk waarbij de zorginstelling eindverantwoordelijk is voor het daadwerkelijk organiseren van de mondzorg. Bij het maken van het beleid en het coördineren van de uitvoering spelen ook het mondzorgteam en interne betrokkenen een grote rol. Wie verantwoordelijkheid wil nemen voor goede mondzorg, moet dat dus ook in beleid, overleg en afstemming vastleggen.

De financiële kant maakt de drempel nog groter
Een ander belangrijk signaal uit het onderzoek gaat over financiering. Driekwart van de respondenten geeft aan dat de regels rondom de financiering van ambulante mondzorg niet duidelijk zijn. Dat is een groot percentage. En het laat zien dat onbekendheid niet alleen gaat over inhoud, maar ook over de praktische en financiële randvoorwaarden.
Juist daar wringt het vaak. Voor zorgorganisaties is het lastig om een beslissing te nemen als onduidelijk is hoe de financiering werkt en welke afspraken daarbij horen. Tegelijkertijd mag die onduidelijkheid geen reden zijn om mondzorg buiten beschouwing te laten. Juist omdat organisaties verantwoordelijk zijn voor goede zorg, hoort ook het uitzoeken van de mogelijkheden en financiering daarbij. Wanneer besluitvorming wordt uitgesteld, krijgt mondzorg vaak opnieuw geen structurele plek binnen de organisatie.
En juist in deze tijd is transparantie noodzakelijk om goede zorg te kunnen leveren. Ook bij controles moet duidelijk te herleiden zijn hoe de financiering is ingericht en wat er precies wordt gedeclareerd. Daarmee is financiering geen losse technische kwestie, maar een echte drempel voor vernieuwing en samenwerking.
Wat zegt dit nou echt over de gesteldheid van mondzorg?
De cijfers laten vooral zien dat mondzorg in veel organisaties nog te veel leunt op losse inzet in plaats van op een stevig systeem. Er is aandacht, maar nog geen vanzelfsprekendheid. Er is waardering, maar nog te weinig structuur. Er is behoefte, maar ook veel onduidelijkheid.
Dat is misschien wel de kern van het onderzoek: het probleem zit niet zozeer in de waarde van mondzorg zelf. Die wordt breed onderschreven. Het probleem zit in de manier waarop mondzorg nu georganiseerd, geborgd en gefinancierd wordt. En precies daar liggen de grootste verbeterkansen.
Wat kunnen zorgorganisaties doen?
Voor zorgorganisaties begint het met bewustwording én eigenaarschap. Mondzorg moet niet alleen een taak zijn van de uitvoerende zorg, maar een onderwerp dat serieus terugkomt in beleid, teamoverleg en scholing. Als teams weten wat ze moeten doen, waarom het belangrijk is en wie waarvoor verantwoordelijk is, ontstaat rust en duidelijkheid.
Ook helpt het om mondzorg niet te zien als extra werk, maar als onderdeel van goede zorg. Juist bij kwetsbare bewoners kan mondzorg veel verschil maken in comfort, gezondheid en kwaliteit van leven. Door mondzorg structureel op te nemen in de dagelijkse zorgcyclus, wordt het minder afhankelijk van individuele inzet en meer onderdeel van de reguliere zorg.
De vraag is niet óf mondzorg belangrijk is
Misschien is de meest opvallende conclusie uit het onderzoek is dat de discussie eigenlijk niet meer gaat over het belang van mondzorg. Daarover lijkt brede overeenstemming te bestaan. De echte vraag is waarom mondzorg, ondanks die erkenning, nog niet overal stevig is verankerd.
De cijfers wijzen naar drie oorzaken: gebrek aan kennis, onduidelijkheid over verantwoordelijkheden en informatie over financiering. Zolang die onderwerpen niet worden opgelost, blijft mondzorg afhankelijk van individuele inzet en goede bedoelingen.
Dat vraagt niet alleen iets van zorgorganisaties, maar van alle partijen die betrokken zijn bij mondzorg in de langdurige zorg. De uitdaging ligt niet in het overtuigen van mensen dat mondzorg belangrijk is. De uitdaging ligt in het makkelijker maken om er daadwerkelijk werk van te maken.

Een belangrijke kans voor de toekomst
Het onderzoek laat zien dat ambulante mondzorg nog lang niet overal bekend is, maar wel degelijk wordt gewaardeerd zodra organisaties ermee werken. Dat is een veelbelovend uitgangspunt.
Tegelijkertijd leert de praktijk dat niet iedere samenwerking automatisch hetzelfde resultaat oplevert. Factoren als vaste behandelaren, goede afstemming met zorgteams, duidelijkheid over declaraties en aandacht voor preventie spelen daarin een belangrijke rol. De uitdaging zit daarom niet alleen in het verkleinen van de kloof tussen onbekendheid en samenwerking, maar ook in het borgen van kwaliteit binnen die samenwerking.
En daar ligt een duidelijke kans. Voor zorgorganisaties om mondzorg serieuzer te verankeren. En voor ambulante mondzorgorganisaties om kennis, duidelijkheid en vertrouwen te vergroten.
Want uiteindelijk gaat het niet alleen om tanden en kiezen. Het gaat om comfort, gezondheid, kwaliteit van leven en om de vraag hoe we de mondzorg voor kwetsbare mensen echt goed organiseren.
En precies daarom verdient mondzorg een vaste plek op de agenda.
De eerste stap begint met een gesprek.
Mondzorg verbeteren hoeft niet te beginnen met grote veranderingen. Vaak begint het met het stellen van een paar eenvoudige vragen. Krijgt mondzorg voldoende aandacht? Zijn verantwoordelijkheden duidelijk? En weten medewerkers wat nodig is om goede mondzorg te bieden?
Wij denken graag met u mee. Wilt u meer weten over het onderzoek of over hoe mondzorg in uw organisatie beter geborgd kan worden? Neem gerust contact met ons op. Wij denken graag met u mee!

